juf Lian uit Breda
 
(Advertentie)
(Advertentie)

In groep 4 leer je / leert uw kind de volgende categorieën van woorden spellen.

 · Klankzuivere woorden;  Klankzuivere woorden zijn woorden die je spelt zoals je ze zegt. Voorbeelden zijn krant en straal.

· Woorden met ng of nk, zoals bang en bank Voor deze klanken geldt dat als je na ‘ng’ een ‘k’ hoort, je nk moet schrijven.  

· Woorden met een ‘stomme e’ Bij deze woorden hoor je een ‘u’, maar je schrijft een e. Voorbeelden zijn huisje, broertje, begin, gehuil, kinderen, beter.

 · Woorden als haai, strooi en stoei Bij deze woorden hoor je ‘j’ aan het eind, maar je schrijft i.

 · Woorden als beer, hoor en kleur Bij deze woorden hoor je ‘ir’, ‘or’ of ‘ur’ aan het eind, maar je schrijft eer, oor of eur.

 · Woorden die met sch- of schr- beginnen Voor deze woorden geldt dat je ‘sg’ hoort, maar sch schrijft. Bijvoorbeeld school en schrift.

· Woorden als halen en hollen Het gaat er hierbij om dat na een korte klank aan het eind van een woordstukje de medeklinker verdubbeld moet worden. Zoals bij spinnen, vlakke, kennel, kromme, bukken. En eindigt een woordstukje op een lange klank, dan schrijf je meer één klinker. Zoals bij stralen, beter, buren, groter.

· Woorden die op d of t eindigen, zoals paard en tent Woorden als paard en tent. Als je aan het eind van het woord ‘t’ hoort, maak je het woord langer. Als je dan een ‘d’ hoort, schrijf je het woord ook met d op het eind. Bijvoorbeeld: Aan het eind van paard hoor je een ‘t’. Maar als je er paarden van maakt, hoor je dat er een d moet staan.

 · Woorden die met s of z beginnen Als een woord met s of z begint en gevolgd wordt door een medeklinker, dan kies je voor ‘z’ als de tweede medeklinker een ‘w’ is. Bijvoorbeeld bij zwart.

· Woorden met ei of ij.

· Woorden met au of ou

· Woorden die met f of v beginnen

Let op! – Als u en uw kind thuis willen oefenen, doe dat dan niet langer dan een kwartiertje per dag, tenzij uw kind ietsje langer door wil gaan. – Wanneer uw kind een fout maakt tegen bovenstaande regels, laat dan direct het goede woord zien. Uw kind kan het dan vervolgens nogmaals, en nu goed, schrijven. 

(Advertentie)

Hulpmiddelen om wat letters te onthouden:

 

Het verschil tussen de  " b "  en de "d ";  maak vuisten van je handen met je duimen naar boven.

 en de vingers naar elkaar toe. Zo heb je van je handen de letters b en d gemaakt. (Net als bij het lezen van een woord beginnen we links.) De eerste letter is een " b " (van bal)  want met een bal kun je veel doen. Wil je voetballen dan heb je nog een doel nodig; de letter  " d ". Je hand die rechts is.(Met eerst een doel kun je geen echt spel spelen.)

 

De " oe " ; een uil slaapt overdag, maar moet wel alles in de gaten houden, dus eerst een oog open (o) en het andere oog mag af en toe best half dicht (e). Een grote uil heeft als naam Oehoe!

 

De " ui " ; eerst een bakje ( u) om een ui in te doen en dan het mesje met tot slot de traan als je de ui gaat snijden (i) .

 

De " ou " ; eerst moet het teken "o" worden geschreven, want daar kun je kleine gaatjes in maken zodat er zout ( ou !) uit kan. In het bakje, de "u" , kun je van alles doen waar zout op kan.

 

De " eu " is te vinden op je toetsenbord. Ze zitten op dezelfde rij een stuk uit elkaar. Je kunt reuzeveel woorden hiermee maken! Typ maar eens een heerlijk een bladzijde vol met deze klank. Printen eerst vragen hoor!!!         

              

 De "nk "; De n en k zitten op de bank te kussen en er mag niemand tussen! nk  !!!!!

 

Er staat een beer voor de deur.

(Advertentie)
Woorden met twee lettergrepen (klankgroepen)

abbe     adde     affe       agge      akke      alle

ebbe     edde     effe       egge      ekke      elle

ibbe       idde       iffe         igge       ikke       ille

obbe     odde     offe       ogge      okke      olle

 ubbe    udde     uffe       ugge      ukke      ulle

 

 

 

 amme  anne     appe     arre       asse       atte

emme  enne     eppe     erre       esse      ette

 imme   inne       ippe       irre         isse        itte

omme  onne     oppe     orre       osse      otte

 umme unne     uppe     urre       usse      utte

abe         ade       afe         age        ake        ale

ebe        ede        efe         ege        eke        ele

ibe         ide         ife          ige          ike          ile

obe        ode        ofe         oge        oke        ole

 ube       ude        ufe         uge        uke        ule

 

 

ame   ane

eme   ene

ime    ine

ome   one

ume   une

 

ape        are         ase         ate         ave        aze

epe        ere         ese        ete         eve        eze

iipe        ire          ise          ite          ive          ize

ope        ore         ose        ote         ove        oze

upe        ure         use        ute         uve        uze

(Advertentie)

Als je een woord in klankgroepen verdeelt en je hoort aan het eind van de klankgroep een korte klank, dan schrijf je twee medeklinkers.

Bijvoorbeeld:

paddenstoel: aan het eind van de eerste klankgroep hoor je de korte klank a, die woont in de korte klankstraat, daar is de dubbelzetter de baas en die zet er eentje bij.

Hoor je achteraan bij een woord een t,  dan kan het zijn dat je die niet moet schrijven.

Het kan zijn dat je het woord achteraan met een d schrijft.

Je kunt nagaan wat je moet schrijven.

Maak het woord waarbij je achteraan een t hoort langer.

Voorbeeld:  kat   wordt katten.

Kat moet achteraan met een t, want

als je het woord langer maakt hoor je duidelijk een t.

Voorbeeld:  hond  wordt honden.

Hond moet achteraan met een d, want als je het woord langer maakt hoor je duidelijk een d.

Zinnen om in groep 4 woorden met au te onthouden:

 

 

De paus rijdt in een blauwe auto.

Is de lauwe pizza een beetje flauw? Doe er dan wat saus over.

In de pauze kauw ik gauw een augurk met rauwe ham.

Au! Die broek is me veel te nauw.

Wauw! De kat slaat met zijn klauw naar de pauw.

 

Hierbij horen ook:

blauw, lauw, rauw, flauwe, nauwe,

kauwen, klauwen, pauwen, augurken

 

 

Je kunt woorden gemakkelijker onthouden als je er plaatjes van ziet. Zoek ze maar eens samen met je vader of moeder!

Je hoort het niet, maar je schrijft       ge     be      ver.           (stomme e)

 

     gesprek       begin       verhaal

 

 Ken je er nog meer?

We starten met woorden met 2 lettergrepen.
We gaan luisteren naar klanken hierbij.
Verdelen in klanken is anders dan verdelen in lettergrepen.
We gaan luisteren naar lange klanken en korte klanken.
Je weet vast nog wel de 5 korte klinkers te noemen.

Neem de woorden boten en botten.
Waar hoor je een korte klank?
Ja, de o in botten. (Echt ook kort uitspreken.)

 We leren de volgende uitspraak:
Na een korte klank, a, e, i, o, u komt de dubbelzetter. Lekker puh!  dat betekent dat er twee medeklinkers komen. Deze hoeven niet hetzelfde te zijn, maar
daar oefenen we wel eerst mee.  Dus: botten.

Bij boten hoor je de oo! (niet schrijven!! Puur op gehoor laten nazeggen).
Dan komt de letterdief; Lange klanken hebben pech, ik haal gewoon een letter weg! Dus:  boten.

Handig om te gebruiken:

kaper /kapper
bomen/botten
takken/taken

(Advertentie)
(Advertentie)

Woorden met eeuw, ieuw, uw

Regel: voor de w komt één u.

Hoor je na een korte klank    ( a , e , i , o , u ) gt, dan   schrijf je  - cht .

 

Alleen niet bij

 ligt (liggen),

legt (leggen),

zegt (zeggen), vlagt (vlaggen).

 

   Ezelsbruggetje:

De boer zegt: "De kip ligt in het hok,

legt een ei en

zegt :"Tok, tok!" en hij vlagt.

  Oefen maar eens met de woorden:

lacht      recht     licht (van een lamp of de zon of                                          iets dat niet zwaar is) nacht     knecht     dicht     zacht     vecht       richt     kracht     slecht    nicht    vacht      echt      gedicht   

 

Woorden met een lange klank of met een

twee-teken-klank krijgen  -gt.             

Bijvoorbeeld   

  vraagt     spuugt      vliegt .  

 

Je weet er vast nog meer!

 

 

 

 

Als er géén klemtoon op de korte klank komt,

 werkt de cht- regel ook niet:

Hij vernietigt de papieren.
De keeper verdedigt het doel.
     
Als er 
geen korte klank vóór de gt-klank komt schrijf je GT.


 

klaagt

veegt

zoogt

spuugt

liegt

zuigt

krijgt

 


Uitzondering:

 

hij biecht het op. 

zacht, vracht, klacht, gedacht 

knecht, vlecht, slecht, gehecht 

nicht,bericht,zicht,licht (lamp)

 

zocht, mocht, kocht, bocht

vlucht, kucht, vrucht, zucht